'Sint Annaland: een toverkot'

Sint Annaland, op het eiland Tholen vaak genoemd 'het toverkot'. Deze bijnaam is echt kenmerkend voor dit dorp en daarom is er in deze historiebeschrijving een hoofdstuk aan gewijd.

Hoe komt men aan deze bijnaam?
De bijnaam 'het toverkot' zou in de vorige eeuw zijn ontstaan door diverse zich hier afspelende toverijkwesties. 'Sint Annaland heeft deze bijnaam niet voor niets gekregen ', zo schrijft in l981 de archivaris van de gemeente Tholen, J.P.B. Zuurdeeg. Volgens hem was in 1829 al sprake van toverij in Sint Annaland, maar of dat waar is, is niet met zekerheid te zeggen.
Deze uitspraak baseert hij op het feit dat op 3 februari de Officier van Justitie over het Arrondissement Zierikzee per brief aan de burgemeester van Sint Annaland vraagt 'of er noch vertooningen van spokerijen, of soortgelijke bovennatuurlijke zaken in Uwe gemeente worden gegeeven. En in hoe verre men bekend is, dat er een of meerder zoo genaamde bokken-rijders by Uwed. gemeente aanwezig zijn.' Maar aangezien men noch in het archief van de rechtbank van Zierikzee noch in het archief van de gemeente Tholen een antwoord op gestelde vragen aantrof, weet men niet of de 'soortgelijke bovennatuurlijke zaken' op toverij betrekking hebben gehad.

Bovennatuurlijke krachten
Op het Thoolse eiland leefde (en leeft?) in vele oudere dorpsbewoners een geloof in zogenaamde 'bovennatuurlijke krachten '. En hoewel ons spook- en toververhalen van alle eilandgemeenten bekend zijn, heeft Sint Annaland nu eenmaal de naam 'het toverkot' en daar verander je niets aan. Verschillende van deze verhalen zijn nu nog bekend, deze kunt u, enigszins verkort, in het vervolg van dit hoofdstuk lezen.


De 'behekste' romance van 'Blijendaal'
Volgens verhalen zou het er rond 1830 vreemd zijn toegegaan op de hofstede 'Blijendaal', Hier woonde een boer met zijn twee dochters. Jan Marinus, een Brabantse boerenjongen, ging op een avond naar de hoeve om met één van de meisjes te vrijen. Na enige tijd kreeg het meisje slaap, zij sliep in. Vervolgens zag Jan Marinus een 'hommelbij' uit haar mond kruipen en wegvliegen en hij vermoedde met een heks te maken te hebben. Hij legde een doek over haar gezicht. Nadat het meisje even geslapen had, kwam de bij weer terug, waarop het meisje het zo benauwd kreeg, dat Jan Marinus de zakdoek wegnam. De bij kroop weer in haar mond en verdween in haar lichaam. Het meisje ontwaakte. Jan Marinus zei: "Je hebt een tijd geslapen. Je bent zeker wel ver weg geweest?" Hij had zich verveeld en wilde een eind maken aan de verkering. Hij zei niet meer op de hoeve terug te komen. Dat had hij beter niet kunnen zeggen, want de heks wreekte zich. Onderweg naar huis werd hij door katten belaagd en daarbij kwam hij tot driemaal toe in een sloot terecht.

Dake
Op 2 juni 1835 legden Anthonie Dake en zijn vrouw Jacoba Kaan (inwoners van Sint Annaland) een verklaring af voor de burgemeester. Zij vertelden dat Alexander Vogelenzang (arbeider, woonachtig in Sint Annaland) de afgelopen zondagavond, 31 mei, bij de buren van Dake had gevraagd of de vrouw van Dake thuis was. Dit was niet het geval. Vogelenzang liep toen naar de achterweg en daar ontmoette hij de vrouw van Dake. Vol verdriet vertelde hij haar dat zijn kindje van twee jaar, die naar men zei aan een bovennatuurlijke ziekte leed, er weer ernstig aan toe was. Hij verzocht haar bij bet kind te gaan kijken. Dit deed de vrouw van Dake. Toen ze bij zijn huis aankwam, trof ze nog twee vrouwen aan, die Vogelenzang al spoedig de deur wees. Daarop sloot hij de deur en beval hij zijn vrouw de blinden toe te doen. Toen dit was gebeurd, had Vogelenzang met een hout in zijn handen tegen de vrouw van Dake gezegd: "Gij moet mijn kind zegenen of gij moet hier sterven." Vrouw Dake zei dit niet te kunnen. Vogelenzang dreigde daarop dat hij haar levend zou verbranden als zij zijn kind niet zegende. De vrouw bleef zich verzetten en slaagde erin weg te komen.

Tegen Vogelenzang werd daarop proces verbaal opgemaakt. Toch was de officier van Justitie niet tevreden. Hij vond het vreemd dat de burgemeester (als plattelandsgenees- en heelkundige) zelf niet was gaan kijken bij een kind dat leed aan een 'bovennatuurlijke' ziekte. De officier verzocht de burgemeester het kind alsnog te bezoeken. De burgemeester kon echter niets bijzonders aan het kind ontdekken. Hij kon dan ook niet anders concluderen dan dat Vogelenzang enigszins aan bijgeloof was gehecht.

Leconte
In 1854 was het wéér zover dat de burgemeester van Sint Annaland de officier van Justitie te Zierikzee op de hoogte moest stellen van een geval van mishandeling in verband met toverij.
Op 27 mei 1854 schrijft de burgemeester in een begeleidende brief bij het proces-verbaal dat Tannetje Leconte al enige dagen aan vlagen van krankzinnigheid lijdt en zich in het hoofd heeft gezet dat er een kwade hand aan haar geweest is. Volgens haar zou Wytske Thijssens dit gedaan hebben. In het proces-verbaal verklaart Wytske dat zij er al enige dagen van beschuldigd wordt Tannetje Leconte te hebben betoverd. Toen zij op 17 mei boter kocht op de hofstede van Adriaan Vroegop, was de broer van Tannetje, Abraham Leconte, bij haar gekomen met de vraag of ze mee wilde gaan naar zijn zus. Wytske voldeed aan zijn verzoek. Buiten het hek van de hofstede had de zwager van Tannetje, Ary van Schouwen, zich bij hen gevoegd.
Toen ze bij de woning van Tannetje aankwamen, was Ary vlak voor Wytske gaan staan en had haar de dood gezworen als zij zijn zus niet genas. Daarop werd zij door Leconte en Van Schouwen aangevallen en in het huis geworpen, vlakbij Tannetje die op bed lag. Een van beiden riep daarop: "Haal de burgemeester!" Toen de burgemeester in het huis aankwam, had hij gevraagd wat er aan de hand was. Wytske antwoordde hem daarop: "Zij willen hebben dat ik die vrouw genees, doch ik weet niet wat ik moet doen." De volgende dag was zij aangevallen door een andere broer van Tannetje, Jacobus Leconte. Hij zei tegen haar: "Jij naar mijn zuster en deze genezen of sterven." Hij trok haar mee naar het huis van zijn zus en dreigend met een hakmes zei hij: "Mijn zuster genezen of sterven." Daarop was de man van Wytske, Pieter Koster, gekomen en hij had haar uit de handen van Jacobus verlost en haar mee naar huis genomen.
Dat Wytske (die toch al achttien jaar in Sint Annaland woonde) zo een gemakkelijk doelwit was voor toverijverdenkingen, is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat zij van elders afkomstig was (Sint Maartensdijk) en getrouwd was met een dertien jaar jongere man (eveneens afkomstig uit Sint Maartensdijk).

De betoverde molen van Sint Annaland
Omstreeks 1931 stond mulder J. Kodde 's nachts te malen. Na een korte pauze kreeg Kodde de molen niet meer op gang. Hij wist niet wat er aan de hand was en besloot te wachten tot het licht was. Een buurman, die informeerde wat er aan de hand was, kreeg te horen dat de molen betoverd was. Dit nieuwtje ging vervolgens natuurlijk als een lopend vuurtje door het dorp. Later bleek overigens dat een klein koperen gewichtje in het te malen graan gevallen was, waardoor de standaardmolen niet kon draaien. Van een betoverde molen was dus geen sprake...

Met bovenstaande voorbeelden is voldoende aangetoond dat het in Sint Annaland niet heeft ontbroken aan toverij(kwesties). Op de vraag of Sint Annaland zoveel vatbaarder was voor toverij dan andere dorpen op het eiland Tholen is nog steeds geen antwoord gegeven. Dit valt ook niet te bewijzen. Misschien is het te wijten aan de ligging van Sint Annaland, waardoor het dorp wat meer geïsoleerd was dan de andere dorpskernen op het eiland Tholen. Hoe het ook zij, Sint Annaland wordt nog steeds 'het toverkot' genoemd en dit zal misschien wel altijd zo blijven.

 

Voor hoofdstuk12 klik op pijl naar rechts , naar hoofdstuk10 klik op pijl naar links Terug naar begin klik op HISTORIE