ENKELE OPMERKELIJKE GEBEURTENISSEN in de periode ca 1798 -1950

Van 1798 - 1811 zijn er nauwelijks notulen. In 1810 overlijdt de predikant J.H. Dake, op ongeveer 53 jarige leeftijd. Hij wordt op 18 december, "dood op de weg gevonden." (zie br 6.1) (Was ds. Dake zwak, of waren er nauwelijks notulen vanwege de rumoerige tijden.) Nederland had opgehouden te bestaan als Republiek der Verenigde Nederlanden en was door de Fransen bezet. Nederland was in deze jaren de Bataafse Republiek. De doorvoer van de leus: "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" was ook te merken in het kerkelijk leven.
Ds. A. v.d. Vondel was als predikant in 1796 afgezet, wegens het weigeren van de eed op de franse conatifactie. In zijn plaats werd beroepen de hierboven genoemde J.H. Dake. Zijn ambtsperiode werd gekenmerkt door de gevolgen van de franse revolutie en invloed.
In de weinige notulen uit die tijd, zijn o.a. de volgende zaken te vinden.
De broeders ouderlingen en diakenen zaten om de beurt de kerkenraadvergaderingen voor. "En wensten elkaar veel genot en zegen voor het aanstaande Avondmaal." Zij bedankten elkaar wanneer ze op huisbezoek waren geweest.
De mannelijke lidmaten kozen de leden van de kerkenraad. In 1799 worden 5 kerkmeesters gekozen. Zij vormen een commissie die de kerkelijke gebouwen, fondsen en goederen gaan beheren. Hieruit is later de kerkvoogdij voortgekomen. (zie br 6.2)
Tijdens de ambtsperiode van de predikant J, Sjoenis, keerde men weer terug naar de vroegere verhoudingen.

Uit de acta van de kerkenraad.
16-10-1861 Er zijn twee Roomschgezinde huisgezinnen.
14-5-1864, 77 Catechisanten doen belijdenis van het geloof.
1-7-1864 Ds. J. Steenberg die de belijdeniscatechese gaf, gaat met emeritaat.

21-3-1865 In deze kerkenraadvergadering wordt besloten om kandidaat C.J.L. Ruijsch van Dugteren te beroepen. De aanwezige Ambachtsheer Jonkheer J.C. de Casembroot is het er niet mee eens. Hij had aan de vergadering voorgedragen om kandidaat H.J. du Saar te beroepen. Omdat zijn voordracht niet gevolgd is, besluit hij af te zien van zijn rechten, en verlaat direct de vergadering. Daarna lezen we later niet meer dat een Ambachtsheer of zijn gemachtigde bij het beroepingswerk aanwezig is.

Over de kerkelijke afscheiding van 1834 lezen we in de acta niet veel. Heel soms dat een lidmaat overgaat tot de Afgescheidenen.
In: "De afscheiding van 1834 in Zeeland", lezen we dat in Oud-Vossemeer een dienst (6 augustus 1837) van de Afgescheidenen wordt bijgewoond door Jan v. 't Hof en Marinus Gunst uit Sint-Annaland. (zie br 6.3) Alleen tijdens de periode van ds. Ruijsch van Dugteren horen we iets meer over de houding van de "Grote Kerk" ten opzichte van de Afgescheidenen.
3-8-1865 Ds. Ruijsch van Dugteren schrijft namens de kerkenraad een brief aan het classicaal bestuur. Daarin vraagt hij hoe er gehandeld moet worden met de aanhangers van Pieter van Dijke (afgescheiden predikant op Sint-Philipsland). Van Dijke heeft ook hier een kleine gemeente. Velen komen terug, kan hun belijdenis, en de doop van hun kinderen worden erkend? (zie br 6.4)
11-12-1865 Het classicaal bestuur antwoordt dat de regering de Afgescheidenen heeft erkend, daarom moeten wij dat ook. De kerkenraad is het daarmee niet eens. Is zo'n erkenning naar het Woord, daar gaat het om!
6-2-1866, 12 Afgescheidenen keren terug. De predikant (R.v.D) zegt dat er schuld aan beide zijden was. En wekt allen op zich gemeenschappelijk voor God te verootmoedigen. De predikant stelt dan aan de 12 personen de volgende vraag: "Of zij niet geloofden dat hun afscheiding geen werk was uit God, en dat zij eenmaal wederom aangesloten ook ten eeuwige dage met de gemeente welke is Christus lichaam, behoorden verenigd te blijven. Hierop werd algemeen een volmondig en bevestigend antwoord gegeven." De kerkenraad weet nog niet of men doop en belijdenis moet erkennen.
De 12 personen die terugkomen zijn; Jacob Leune, Dingena van Dommelen, Cornelis van der Klooster Janz., Elisabeth Quist, Jan Verhoole, Anthonie Dake, Maria Johanna Faas, Dina Scherpenisse, Jannetje de Jonge, Adriana Geluk, Geertruida Kop en Holl, Jacobus Juda Ridderhof.
In de volgende maanden voert de kerkenraad correspondentie met de classis en de synode. Daarin voert men aan dat men het handelen van Pieter van Dijke onwettig acht.
Maar de synode is te "slap" om er afdoende op te reageren. De kerkenraad besluit om de zaak voorlopig maar aan te houden, en te zien "wat de Heere hier ter plaatse doen zal."

31-10-1866 Aangetekend wordt: "Scheiden zich af naar het afgescheiden kerkje, Adriaan Schrijver, Tona Engstmengel, Maria Jacoba Luijk, Kaatje Heijboer, Izaak de Jonge, Cornelis Elenbaas"

7-8-1866 Ds. Ruijsch van Dugteren pakt het gemeentewerk voortvarend aan. Hij wil een zendingsvereniging oprichten, godsdienstige lectuur verschaffen aan de armen, de catechese bevorderen enz. In de tijd van ds. Ruijsch van Dugteren zien we een verschuiving voor wat betreft de toepassing van de censuur. In plaats van ontzegging van het Avondmaal, volgt er nu een ernstige waarschuwing of terechtwijzing. Dit geldt zaken als dronkenschap, onwettige kinderen of kinderen die voor de huwelijkssluiting verwekt zijn. (zie br 6.5)

12-12-1872 Onder ds. J.F. de Later wordt de kerkenraad uitgebreid met een ouderling en diaken. Sinds de beschikbare acta (1693) is dit de eerste uitbreiding.
In de zomer van 1894 weigert ds. J.R. v. Kooy het kind te dopen van B. Kodde. Deze man is dooplid en komt nauwelijks naar de kerk, waarschijnlijk gaat hij soms naar de afgescheiden kerk. De predikant krijgt hierover onenigheid met de kerkenraad. Ouderling Polderman is in deze zaak meestal de woordvoerder. De kerkenraad vindt de predikant in deze te "star". Het kind wordt nu in Sint-Maartensdijk gedoopt. Ds, v. Kooy vertrekt in mei 1895 naar IJzendoorn.

In de 20- en 30er jaren van deze eeuw gaat de gemeente door een crisis heen. Zeer waarschijnlijk heeft het te maken met de "ligging' van gemeente en kerkenraad. In 1906 werd binnen de Hervormde Kerk, de Gereformeerde Bond (tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk) opgericht. Het aantal gemeenten dat hiermee sympathiseerde groeide snel. En langzaam zien we ook de kerkenraad en de gemeente van Sint-Annaland deze kant opgaan. Ds. G. Lans, een uitgesproken "Gereformeerde Bonder"', zegt na verkiezingen voor ouderlingen en diakenen binnen de kerkenraad: "dat alle kerkenraadsleden wel zullen gevoelen dat deze stemmingen het uitspreken wat wij allen reeds lang wisten, namelijk dat er geen eenheid is. Toch hoopt hij dat allen zullen gevoelen, dat het hier niet ging om personen als zodanig, maar om de beginselen. Het is de zaak geweest welke kant zal het uitgaan." (zie br 6.6)
Er worden gereformeerde (bonds) predikanten beroepen. (zie br 6.7) Het zingen van gezangen wordt geweerd. Bij de ingebruikname van het nieuwe orgel in 1901 werden nog twee gezangen gezongen (zie br 6.8) " uit de bundel: "Evangelische gezangen". (zie br 6.9) Bij het naderende afscheid van ds. Lans, lezen we in de acten van de kerkenraad:
"Tenslotte besluiten de broeders, dat in de vacature, wanneer er leeskerk zal gehouden worden, de voorlezer geen gezang mag laten zingen. Ter voorkoming van verwarring en onenigheid." (zie br 6.10) (Blijkbaar werden er voorheen wel gezangen gezongen. Misschien het ene verplichte gezang per dienst?) Zie ook de notulen van de kerkvoogdij 3-2-1926 hierboven. Ook bij het aanstaande vertrek van ds. de Bres lezen we in de acten van de kerkenraad: "....er zal worden voortgegaan op de oude voet, d.w.z. uitsluitend gebruik van de Psalmbundel..." (zie br 6.11)

Verder zien we dat bij het aannemen van de nieuwe lidmaten, in de acta wordt aangetekend, de wens dat hun belijdenis oprecht en echt zal zijn. Dat ze ook mogen beleven wat ze belijden. Dit lezen we vooral in de acten van de kerkenraad in de vacaturetijd van 1921-'25 en van 1927-'33. Ook zien we dat het aantal Avondmaalsvieringen minder wordt, en er een geringe deelname is aan dit sacrament. (zie br 6.12) De kerkenraad is tegen het vrouwenkiesrecht, deze kwestie zal veel problemen geven. Hierover ontstaat een crisis die in 1931 uitmondt in een schorsing van de kerkenraad. Aan het eind van het jaar wordt de kerkenraad afgezet.

Uit de 10-jaarlijkse stemmingen blijkt dat de gemeente langzaam maar zeker haar vertrouwen in de kerkenraad verliest. (zie br 6.13) De gemeente kiest ook duidelijk voor de gereformeerde lijn, maar is wars van het extreme of zaken door te drijven.
Bij de stemmingen in 1901 en 1911 is 68% ervoor dat de kerkenraad zichzelf aanvult. Er komen dan respectievelijk 47 en 298 stemmers. Bij de stemming van 1921 is 58% ervoor dat de kerkenraad zichzelf aanvult, er worden dan 322 stemmen uitgebracht. In de "crisisperiode" in 1931 stemt maar 30% voor de kerkenraad. 70% wil verkiezing van de kerkenraad door een kiescollege, er zijn dan 387 lidmaten opgekomen om te stemmen, waaronder 74 vrouwen!

In 1942 blijk dat het vertrouwen in de kerkenraad weer hersteld is. Van de 83 aanwezige lidmaten kiest 62% ervoor dat de kerkenraad zichzelf aanvult. Het kiescollege wordt dan weer opgeheven.

Uit deze cijfers blijkt dat wanneer de kerkenraad het vertrouwen heeft van de gemeente, er minder deelnemers zijn bij de stemmingen. Is het onrustig in de gemeente, is er weinig vertrouwen in de kerkenraad, dan stijgt het aantal lidmaten dat zijn stem uitbrengt. Dan gaat de lijn van het vertrouwen omlaag en het aantal deelnemers omhoog.

Zie "Overzicht 10-jaarlijkse stemmingen"

Bronnen 6

1.) De Boekzaal, 1811, dit was een blad waarin allerlei wetenswaardigheden over predikanten werd gepubliceerd.
2.) Dr. R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam, Ten Have, 1978, V, P.19 e.v.
3.) J. Wesseling, De afscheiding van 1834 in Zeeland, De Vuurbaak, Barneveld, 1989, p.225. Over een gemeente in Sint-Annaland schrijft Wesseling niet.
4.) In het archief van de Geref. Gemeente in Sint-Annaland zijn nagenoeg geen gegevens voorhanden over de periode vanaf het ontstaan ca. 1854 tot 1900. Slechts enkele doopregisters en lidmatenboeken zijn voorhanden. Over de grote en groei is niet zoveel te zeggen. Een predikant heeft de gemeente niet gediend, behalve ds. Pieter van Dijke uit Sint-Philipsland. Hij kwam hier weleens preken en de sacramenten bedienen. "Rond" hem is de gemeente ontstaan.
(Zie ook bronnen 1.3 (KG 1))
5.) Acten van de kerkenraad, onder andere op 14 mei en 19 november 1870.
6.) Acten van de kerkenraad 4-12-1913.
7.) Notulen kerkvoogdij 3-2-1926, zie hierboven.
8.) Notulen kerkvoogdij Z0-6-1900, zie hierboven.
9.) "De Bundel Evangelische Gezangen" was in 1803 ingevoerd, en getuigde in veel gezangen van de tijdgeest van de verlichting. Het heldere Bijbelse geluid werd er veel in gemist. Veel protesten werden tegen de invoering ervan gehoord. De scriba van de commissie die de bundel van Synode-wege samenstelde was de bekende predikant dr. Jan Scharp. Hij stond toen in Rotterdam en had van 1778-1780 in Sint-Annaland gestaan.
10.) Acten van de kerkenraad 19-5-1914.
11.) Idem, 18-9-1916.
12.) Idem, 4-7-1924, Tijdens visitatie door de classis, blijkt dat de avondmaalsvieringen van 4 naar 2 keer per jaar zijn teruggebracht. Op de vraag van visitator ds. J.H.C. Kamsteeg, wat Calvijn hiervan zou zeggen, blijft de kerkenraad het antwoord schuldig. Kamsteeg antwoordt dan zelf en zegt: "uw gemeente is bedenkelijk ziek. De groetenis van Calvijn."
13.) Door de 10 jaarlijkse stemming bepaalde de gemeente of de kerkenraad zichzelf aanvulde, of dat een kiescollege, gekozen door de gemeente, de ambtsdragers koos. Vanaf 1951 zijn dit zesjaarlijkse stemmingen, waarbij men drie mogelijkheden heeft. De kerkenraad vult zichzelf aan, de gemeente kiest, of een tussenvorm. De mogelijkheid dat de gemeente invloed heeft op de samenstelling van de kerkenraad dateert van 1 maart 1867. Op die datum is het Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en beroeping van predikanten van kracht geworden. (Chr. Encyclopedie, Kok Kampen, 1959, IV, p.245.). De mogelijkheid om te werken met een kiescollege verviel, met de invoering van de nieuwe Kerkorde van 1951.

Voor hoofdstuk 7 klik op pijl naar rechts naar hoofdstuk 5 klik op pijl naar links Terug naar begin klik op H13